Axcent gaat economisch

Jongeren maken sinds kort de dienst uit bij Axcent. Maar hun bevoorrechte positie in organisatie en programmatie wordt geen monopolie. De jeugd mag dan “onze toekomst” zijn, de nood aan interlevensbeschouwelijke verstandhouding tussen volwassen Brusselaars wordt er met een verjongingskuur niet kleiner om.

Vele interlevensbeschouwelijke initiatieven vinden intussen plaats op Brussels grondgebied, - vaak in gespreide slagorde, wat hun daadkracht overigens niet altijd ten goede komt. Axcent hoeft ze niet over te doen. De begrensde middelen die de vereniging naast haar jongerenwerking ter beschikking staan, maken van de nood een deugd. Axcent heeft geen andere keuze dan zich voor de volwassenenwerking te “specialiseren”. Qui trop embrasse, mal étreint, zegt het Franse spreekwoord bovendien.

Tussen de talloze grootstedelijke uitdagingen die de sociale cohesie in gevaar brengen, legt de vzw zich de komende tijd toe op het  thema “religie, levensovertuiging en economie”. Daarmee is de vereniging niet aan haar proefstuk toe. In het verleden bracht ze dit onderwerp indirect ter tafel met afgeleide thema’s als dakloosheid, armoede en sans-papiers. In 2010 werden imams, rabbijnen, priesters en moreel consulenten geïnterviewd en vervolgens samengebracht in de unieke week van de (s)preek. Tijdens het islamitische vrijdaggebed, de joodse sabbatsviering, de katholieke zondagsmis en een vrijzinnige filmtentoonstelling werd in die week bijzondere aandacht ingeruimd voor de armoedeproblematiek. In buurt- en opvanghuizen waar armen het woord nemen vonden pluralistische gespreksronden plaats.

Maar bepaalde vragen – sommigen zouden zeggen: de enige échte vragen– bleven veelal binnensmonds.

Om het cru uit te drukken: zolang de problemen blijven opgeborgen in hun caritatieve of filantropische dimensie, behoudt het thema armoede een grote aaibaarheidsfactor en kan het ook in levensbeschouwelijke hoek op een welgemeend medeleven rekenen. In religieuze en levensbeschouwelijke tradities is de oproep tot solidariteit met de man of vrouw die door armoede is getroffen stevig gefundeerd. Zeker waar religieus gevoelige mensen zich kunnen vereenzelvigen met minder fortuinelijke stadsgenoten die in hun verschijning beantwoorden aan een aantal aan armoede toegeschreven eigenschappen, is de bereidheid tot solidaire inzet groot. Met weet zich geraakt door een alleenstaande moeder die nauwelijks de eindjes aan elkaar kan vastknopen en haar schoolgaande kind met afgedragen kleren naar de klas stuurt. Men is ontroerd door de uitgestoken hand van een bejaarde man die met waardigheid om een aalmoes prevelt. Op zich is er met de stimulans van gevoelsmatige identificatie niets mis mee. Het bewijst dat velen het hart op de juiste plaats hebben. Als die bereidheid bovendien levensbeschouwelijk wordt opgevangen en georganiseerd in collectieve acties (bv tijdens de islamitische ramadan of de christelijke vasten), legitimeren religies en georganiseerde levensovertuigingen andermaal hun belangrijke rol in de samenleving.


De materiële kant van economie

En toch blijft men ook dan nog op zijn honger zitten. Wanneer religies en levensovertuigingen de onderliggende vraag naar het waarom van de armoede en de dieper worden kloof tussen rijk en arm zedig uit de weg gaan, is hun rol op zijn minst twijfelachtig. Schreeuwende ongelijkheid, armoede onder de working poor, alleenstaande vrouwen en bejaarden die het met een mensonwaardige uitkering moeten stellen, gebrekkige huisvesting, uit de pan swingende jeugdwerkloosheid geven overvloedig aan dat ons “huis” (“oikos”) bepaald niet op orde is en vele van onze medebewoners materieel uit de boot vallen. Religie en levensovertuiging hebben voldoende noten op hun zang om verzet aan te tekenen en het levensbeschouwelijk op te nemen voor een economische orde waar gelijkheid en solidariteit met de zwaksten geen loze begrippen zijn. Vrijblijvende lippendienst aan grootse principes alleen volstaat echter niet meer. Zo te horen is niemand tégen solidariteit en gelijkheid. Geen één die niet vóór rechtvaardigheid is. De lakmoesproef doorstaan we dan pas wanneer onze religieuze en levensbeschouwelijke inzichten en normen grondig worden getoetst aan economische categorieën als groei, productiviteit, arbeid,  kapitaal en duurzaamheid, om ten slotte uit te monden in die laatste, doorslaggevende, vooringenomen, en, ja zeker, uiterst subjectieve vraagstelling: staan wij met onze levensovertuiging aan de kant van de verliezers of aan die van de winnaars? Zijn we het steentje of zijn we het glijmiddel in de machinekamer?

Dat is de materiële kant van de religieuze en levensbeschouwelijke vraag naar een economie op mensenmaat.

Axcent wil op haar bescheiden manier in samenwerking met verenigingen en gemeenschappen bijdragen aan een rechtzetting van de sociaal-economische verhoudingen.
 

De immateriële kant van economie

Maar de economische kwestie is er niet alleen één van rijkdom en armoede, van werkloosheid en een adequate en ecologisch verantwoorde herverdeling van middelen. Zij heeft ook een immateriële zijde.

In 1911 schreef Frederick Taylor zijn uiterst invloedrijke The Principles of Scientific Management, een boekje dat mee aan de basis kwam te liggen van de moderne wetenschappelijke bedrijfsvoering. Door standaardisatie, time-management en becijferde efficiency, wilde het taylorisme bij gelijke productiekosten de arbeidsproductiviteit en bedrijfswinsten beduidend opvoeren. Taylor schreef in de eerste plaats voor managers en ingenieurs. Maar in zijn voorwoord voorspelde hij een veel ruimer toepassingsgebied voor zijn rationalisering:

Het valt echter te hopen dat het voor andere lezers duidelijk wordt dat dezelfde principes
met gelijke slagkracht kunnen worden toegepast op alle sociale activiteiten: het beheer van
onze huizen, het beheer van onze boerderijen, het beheer van grote of kleine handelsprak-
tijken, van onze kerken, onze liefdadigheidsinstellingen, onze universiteiten, en onze overheids-
instellingen.

Vandaag is de wensdroom van Taylor realiteit. Er is geen menselijke onderneming denkbaar, ook niet de activiteit die het meest verwijderd lijkt van economische bedrijvigheid, of ze blijkt onderzocht op haar kosten-baten verhouding, doeltreffendheid en return on investment. De menselijke tijd, in haar onbestemdheid van levensbelang voor de “nutteloze” ontwikkeling van ethiek, kennis, kunst en spiritualiteit, is tot op het bot geïnstrumentaliseerd, dwz opgedeeld in een gelijkmatige serie micro-instanties die allemaal hun  aandeel in groei en productiviteit moeten garanderen. We verwachten overal en constant “resultaten”. Als die uitblijven, nemen we een coach in de arm: voor ons bedrijf of als levenscoach voor onze maakbare  existentie –  het onderscheid doet er eigenlijk niet toe. Wat zich dreigt te onttrekken aan de economische nutsfactor, wordt genadeloos in het gareel gebracht. Om maar één voorbeeld uit de duizenden te noemen: het valt niet meer uit de toon om in opdracht van bedrijven “wetenschappelijk” onderzoek te verrichten naar de gunstige of ongunstige invloed van gebed en geloofspraktijk op de productiviteit van werknemers.

De taylorisering of economisering van mens- en maatschappijbeeld is langzaamaan gebeurd, op kousenvoeten. Zelfs maar een oppervlakkig overzicht geven van de vele uitdrukkingsvormen van deze sluipende vervreemding is ondoenbaar. De jaren tachtig van vorige eeuw brachten in elk geval een institutionele versnelling van het proces. Het gerationaliseerde bedrijf werd toonbeeld van efficiënt beleid voor de overheid die het op haar beurt als spiegel voorhield aan de publieke sector, de wereld van de NGO’s en het maatschappelijk middenveld, alsof productiviteits- en winstefficiëntie overal en altijd de enige ernstig te nemen vorm van doeltreffendheid zouden zijn. Het gesubsidieerde middenveld nam het nutsdenken op zijn manier over, verzaakte aan zijn historische opdracht om kritisch tegenwicht te bieden aan de overheid, verinnerlijkte het manageriaal denken en werd, ook in de zachte sectoren van zorg, cultuur en interculturaliteit, een verlengstuk van de economische dwangneurose.

Voor religies en levensovertuigingen is het zaak ook deze immateriële schaduwzijde van onze economie aan te pakken. De economie mag enkel middel zijn voor de realisatie van een menswaardige samenleving die deels (maar niet alleen) afhangt van de adequate bestiering van productie- en verbruiksprocessen.  Daar waar economie in economisme vervalt en onder het vernis van een technisch betoog een mens- en wereldbeeld oplegt zonder daar openlijk voor uit te komen, neemt ze de eigenlijke plaats in van religie, levensovertuiging en ideologie en moet ze levensbeschouwelijk worden bestreden.

Ook tot die strijd wil Axcent graag het hare bijdragen. Hoe dat concreet in zijn werk moet gaan, verneemt u bij een volgende gelegenheid.